|
|
Levend goud |
| Preview - terug naar het boek |
Proloog | Goud uit het verledenEr lag een grote schat verborgen in een akker in het Zeeuwse dorp Serooskerke. De drie boeren die daar op 3 januari 1966 prei kwamen oogsten, wisten niet wat ze zagen. Waren het flessendoppen? Het bleken echte gouden munten te zijn, 1157 stuks, uit de periode van 1422 tot 1622. Spaanse Escudo’s, Britse rozenobels, munten uit Zeeland, Gelderland, Oostenrijk en Schotland. Het was de grootste muntenvondst van de twintigste eeuw. Omgerekend naar nu een kleine twee miljoen euro waard. Wie zou deze schat daar begraven kunnen hebben? Bij het Zeeuws Archief weten ze het bijna zeker: het moet de piraat Mourad Raïs uit Marokko zijn geweest, in Haarlem geboren als Jan Janszoon. Hij vergaarde een fortuin door schepen te enteren en mensen te roven die hij op Noord-Afrikaanse slavenmarkten verkocht. Deze Mourad Raïs is in het jaar 1623 met een kleine vloot de haven van Veere binnengezeild, niet ver van Serooskerke. Dat de jongste munt in de schat uit 1622 stamt, past in dit verhaal. Ruim drie eeuwen later mochten de drie vinders de helft van de buit verdelen. De andere helft was voor de gemeente Veere, de eigenaar van de grond, die met het geld in Serooskerke zwembad de Goudvijver en een medisch centrum bouwde. Mourad Raïs leefde in de Gouden Eeuw. Het was de tijd dat koopvaardijschepen van de in 1602 opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) naar het verre Indië zeilden en rijkdom vergaarden door met geweld monopolies af te dwingen op de verkoop van kruidnagel, kaneel en nootmuskaat. Tegelijkertijd reisden de schepen van de West-Indische Compagnie (WIC) naar Amerika om rijk te worden van slavenhandel en handel in goud. Handelssteden als Amsterdam en Middelburg profiteerden van de weelde die de wereldhandel bracht en kunst en wetenschap kwamen tot bloei. Kooplieden hadden een fortuin te besteden en lieten zich portretteren door schilders als Rembrandt, Vermeer en Frans Hals. Ze belegden een deel van hun kapitaal in grond en lieten prachtige buitenplaatsen bouwen. Tot deze rijke kringen behoorden de voorvaderen van Marie Tak van Poortvliet. Zij draaiden mee in de bestuursorganen van de VOC en de WIC. Hun taak als bewindvoerder ging over van vader op zoon en zo profiteerden zij eeuwenlang van de overzeese rijkdommen. De landgoederen en hofstedes die ze kochten, verfraaiden ze met het geld dat dankzij de lucratieve slavenhandel en kaapvaart naar hen toe stroomde. En zo verwierf hun verre achterkleindochter Marie een enorme erfenis, waar meerdere boerderijen toe behoorden. Eén daarvan, Hof Ter Linde, op slechts enkele kilometers afstand van de plek waar piraat Mourad Raïs zijn schat had begraven, is nu de oudste biodynamische boerderij ter wereld. Marie Tak van Poortvliet was een initiatiefrijke vrouw met grote idealen. Ze hoopte dat de boerderijen die zij vanuit haar familie had geërfd, tot voorbeeld van landbouwvernieuwing zouden uitgroeien. Biodynamische landbouw was volgens haar de landbouw van de toekomst. Om die tot ontwikkeling te brengen, richtte ze in 1926 de Cultuurmaatschappij Loverendale op. Marie Tak van Poortvliet werd in weelde geboren. Maar ze zou alles wat ze bezat weggeven, voor – zoals ze bij haar nalatenschap schreef – ‘het geluk van de mensheid’. 1871-1923 | Stemmen en klanken in de natuur Marie Tak van Poortvliet (met stok) met haar broertje en zusjes voor de theekoepel van hun buitenplaats De Griffioen, ca. 1882 Joanna Maria Tak van Poortvliet werd 15 februari 1871 in Den Haag geboren als de oudste dochter van liberaal Tweede Kamerlid en later minister Joannus Pieter Roetert Tak van Poortvliet. Haar moeder Christina stamde af van de welgestelde Rotterdamse familie Van Oordt. Iedere zomer reisde het gezin Tak van Poortvliet naar hun eeuwenoude landgoed De Griffioen in Middelburg, waar hun familiewapens hingen en een reeks van zesendertig geschilderde portretten van hun voorgeslacht. Met haar broertje en twee zusjes speelde Marie buiten in het paradijselijke park met oude bomen, rododendrons en vijvers. Ze voer met een bootje over de Domburgse Watergang, reed met de bokkenwagen, en vermaakte zich met het varken, de twee geiten en de kippen. Ze struinde langs de vele fruitbomen, de moestuin en de prachtige bloemenkas en verwonderde zich over de bijen. Hier groeide bij Marie een diepe verbinding met de natuur. Dat ze hun jaarlijkse reis vanuit hun woonplaats Den Haag naar het prachtige groene eiland Walcheren met de trein konden maken, was te danken aan de inspanningen van vader Tak van Poortvliet, die zich in de Tweede Kamer hard had gemaakt voor de voltooiing van het spoorwegnet met een verbinding tussen Bergen op Zoom en Middelburg. Kort na Maries geboorte was de aanleg voltooid. Hierdoor werden de eilanden Zuid-Beveland en Walcheren met het vaste land verbonden en werd de Oosterschelde van de Westerschelde gescheiden. Joannus Pieter Roetert Tak van Poortvliet was een progressief liberaal met oog voor de noden van het volk. Zo wilde hij het onderwijs hervormen met de invoering van openbare volksscholen. Ook streed hij voor uitbreiding van het kiesrecht naar arbeiderskringen, zodat alle mannen die konden lezen en schrijven naar de stembus zouden mogen, en niet alleen de tien procent die genoeg belasting betaalde. Zijn vernieuwende ideeën oogstten veel weerstand bij de heersende klasse. Het wetsvoorstel over de uitbreiding van het kiesrecht zette Den Haag op zijn kop en leidde tot een strijd tussen Takkianen en anti-Takkianen, die bestaande partijen verdeelde. Het plan werd uiteindelijk weggestemd en leidde in 1894 tot de val van het kabinet, mede omdat de koppige Tak geen enkel compromis duldde. Hij was zijn tijd ver vooruit. Het zou nog 25 jaar duren tot niet alleen alle mannen, maar ook alle vrouwen in Nederland naar de stembus mochten gaan. De bouw van Villa LoverendaleNet als haar vader had Marie een krachtige wil en een vooruitstrevend karakter. Al op jonge leeftijd volgde ze haar eigen koers. In haar kringen lag het voor de hand dat ze een man zou trouwen uit een aristocratische familie en een aan hem ondergeschikt leven zou leiden. Maar Marie was als tiener meer gecharmeerd van het vriendinnetje van haar jongere zus, dat tennis kwam spelen op hun eigen tennisbaan, in de tuin bij hun deftige pand aan de Haagse Sophialaan. Ze zou een groot deel van haar leven delen met deze vijf jaar jongere vrouw, freule Jacoba Berendina van Heemskerck. Na het overlijden van haar ouders in 1897 en 1904 en haar ongehuwde tante in 1901, was Marie schathemeltjerijk. Ze erfde meerdere boerderijen en losse stukken grond, obligaties en aandelen, alles bij elkaar een vermogen dat – omgerekend naar nu – meer dan 10 miljoen euro waard was. De bezittingen leverden haar pacht, rente en dividend op en de vrijheid om, als 33-jarige ongehuwde vrouw, te doen en laten wat ze wilde.
Houtskoolschets van Villa Loverendale door Jacoba van Heemskeck, 1909 In Domburg had ze, vlakbij zee en naast het Badhotel, een stuk bouwland met twee weilanden geërfd. Ze hield van die plek waar ze als kind vanuit hun landgoed De Griffioen vaak heen was gereden, hobbelend in een koets over kronkelige zandwegen. Het was voor haar de perfecte locatie om een zomerhuis te bouwen, waar ze samen met haar vriendin Jacoba de zomermaanden kon doorbrengen. Ze vernoemde haar huis naar de buitenplaats Loverendale die hier in de 17de eeuw had gelegen. Er was zelfs een VOC-schip naar vernoemd: schip Loverendaal voer na het jaar 1738 vijf maal naar Batavia via Kaap de Goede Hoop. Vanaf 1908 brachten Marie en Jacoba elke zomer een paar maanden door in hun nieuwe zomerhuis aan zee, een prachtige woning die met zijn puntige dak en grote dakkapellen boven de duinen uitstak. Jacoba, dochter van de zeeschilder Eduard van Heemskerck van Beest, ontwikkelde zich als een talentvol schilder. De deur van Villa Loverendale stond altijd open voor de vele schilders die in de zomermaanden in Domburg verbleven, zoals Piet Mondriaan en Jan Toorop. Samen voerden ze lange gesprekken over hoe ze in hun schilderijen diepere lagen tot expressie konden brengen. Hoe ze de ziel van een landschap konden tonen. Hoe ze het onzichtbare zichtbaar konden maken. Niet door het natuurgetrouw na te schilderen, want dan zag je alleen de buitenkant. Ze lieten zich hierbij inspireren door de theosofie, een spirituele stroming die ervan uitging dat achter de wereld van alledag een hoger plan verborgen lag. Ze spraken over de lezing die Rudolf Steiner, leider van de Theosofische Vereniging in Duitsland, in maart 1908 in Den Haag had gegeven. Het was niet de bedoeling om alleen maar wijsheid over God te verzamelen, had Steiner gezegd, ‘maar om in jezelf de polsslag van het universum te leren voelen’. Eerste verzamelaar van moderne kunst in NederlandIn het najaar van 1908 schetste Mondriaan in de tuin van Villa Loverendale een oude, door de zeewind krom gegroeide appelboom. Later werkte hij die uit tot een rode boom tegen een donkerblauwe avondlucht, met expressieve rode en blauwe kleurstreken waarmee hij de eigenheid van de boom liet oplichten. In die tijd konden niet alle kunstcritici het niet-realistische kleur- en vormgebruik waarderen. Maar Marie zag direct de kracht van dit vernieuwende schilderij en ze kocht het voor haar kunstverzameling. Ver na haar dood zou Avond; De rode boom een topstuk worden in de collectie van het Kunstmuseum in Den Haag. Marie was de eerste verzamelaar van moderne kunst in Nederland. Ze liet zich voor haar aankopen inspireren door de beroemde Duitse schrijver Goethe, die ervan uitging dat de hele natuur doortrokken was van een op ontwikkeling gerichte, geestelijke kracht. Zijn uitspraak ‘Kunst is de manifestatie van geheime natuurwetten, die zonder haar nooit tot uiting zouden kunnen komen’ vormde voor Marie de leidraad voor de samenstelling van haar vooruitstrevende kunstcollectie, met expressionistische kleurige werken als Lyrisches van Wassily Kandinsky en Das Schaf van Franz Marc. En ze kocht veel werk van Jacoba, die in haar ogen de spirituele laag met levendige kleuren en vormen prachtig wist weer te geven.
Marie Tak van Poortvliet, ca. 1910 Over deze nieuwe manier van kijken en hoe moderne kunstenaars die in hun werk vertaalden, schreef Marie veel artikelen en publicaties, waarbij zij het werk van haar vriendin vaak onder de aandacht bracht. Tot haar ergernis konden vrouwelijke schilders op minder aandacht en waardering rekenen dan hun mannelijke collega’s. Haar uitgesproken visie klonk ook door in de muziekrecensies die ze met kennis van zaken schreef. Ze was erin gerold via de tweejarige cursus muziekgeschiedenis die ze als twintiger had gevolgd aan het Koninklijk Conservatorium. Marie hield van moderne, progressieve componisten zoals Mahler, die volgens haar als geen ander de stemmen van de kosmos kon verklanken. In haar recensie over zijn Zesde Symfonie in 1916 toont ze iets van haar eigen spirituele beleving van de natuur: ‘Wanneer men in een bos loopt of langs de zee, dan voelt men, dat daar rond ons geheimzinnige stemmen en klanken zijn, die tot ons komen, maar wier taal ons vreemd is. Welnu als wij ons openstellen om Mahlers gedachten in ons op te nemen, dan voelen wij plotseling, dat wij staan te midden van die natuurstemmen, maar nu zijn ze ons geen vreemde taal meer, ze zijn ons begrijpelijk geworden, omdat de zin ons verduidelijkt is.’ In de ban van de antroposofieIn de woorden die Marie schreef klonk duidelijk door dat ze zich liet inspireren door de antroposofie. Deze beweging, die zich richt op het ontwikkelen en het versterken van het bewustzijn, was in 1912 door Rudolf Steiner opgericht nadat hij zich niet meer kon vinden in de visie van de Theosofische Vereniging. Steiner noemde de antroposofie een weg naar inzicht die het geestelijke in de mens wil verbinden met het geestelijke in de kosmos. Marie zette zich in om meer bekendheid te geven aan dit gedachtengoed. Zo was ze, in 1916, een van de oprichters van de Haagse Antroposofische Vereniging. Direct nadat in 1919 Steiners boek Die Kernpunkte der sozialen Frage in de boekhandels verscheen, kroop Marie achter de typemachine om het zo snel mogelijk te vertalen. Het ging over zijn visie op hoe je de samenleving organiseert. Na de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog hoopte Steiner dat de tijd rijp was om de maatschappij in te richten op een manier die stabiliteit en vrede bracht. Essentieel hierbij is, schreef hij, dat je de samenleving moet zien als een levend geheel, als een organisme dat uit drie delen bestaat met elk een eigen karakter: het culturele leven, het rechtsleven en het economisch leven. Deze ‘sociale driegeleding’ verbond hij aan de waarden die bekend zijn uit de Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hij koppelde vrijheid aan cultuur, gelijkheid aan recht en broederschap aan economie. Marie begreep dat het voor de samenleving heel heilzaam zou zijn als mensen zich ervan bewust werden dat elk maatschappelijk domein een eigen karakter heeft, met eigen kernwaarden. Vrijheid in het culturele leven – religie, wetenschap, kunst en opvoeding – maakt het mogelijk dat ieder mens zich vrij kan ontwikkelen, passend bij zijn of haar kwaliteiten. Maar vrijheid kan als een gif werken in het domein van wetten, regels en afspraken, ofwel het rechtsleven. Hier is gelijkheid leidend. Voor de wet is iedereen gelijk. In het derde orgaan, het economisch leven, is broederschap de norm. Samenwerken, voor elkaar zorgen en elkaar een goede boterham gunnen is hier het hoogste goed. Vrijheid in het economisch domein kan leiden tot machtsmisbruik. Vanuit deze grondprincipes zou volgens Steiner een vitaal sociaal organisme kunnen ontstaan: een niet-hiërarchische samenleving waar mensen hun eigen talenten ontwikkelen, in elkaars behoeften voorzien en verantwoordelijkheid dragen voor hun deel van het geheel. Na drie maanden had Marie haar vertaling klaar, De kern van het sociale vraagstuk. Ze vond deze boodschap zo belangrijk, dat ze samen met anderen de ‘Bond voor drieledige Indeling van het Sociale Organisme’ oprichtte om er meer bekendheid aan te geven.
Marie Tak van Poortvliet en Jacoba van Heemskerck als imker bij Villa Loverendale, ca. 1915 |
Klik hier om de preview als pdf te downloaden |
Bestel het boek bij Amy en Eva | Managementboek.nl | bol.com | Libris.nl | Bruna.nl | Zoek een boek | Drukkery | Athenaeum/Scheltema | Donner |
| Terug naar het boek | Meer informatie over de auteur |
|