HOME | BOEKEN | AUTEURS | OVER SANTASADO | AGENCY | CONTACT

Repelsteeltje zingen

Preview - terug naar het boek

INTRODUCTIE

2021, Hilversum

Mensen zeggen dat ik een heel interessant leven leid, maar dat zie ik zelf niet zo. Volgens mij is mijn leven net zo gecompliceerd en interessant als dat van elke andere zwarte Amerikaan die in de VS is opgegroeid. Ik vind mijn leven dus niet zo speciaal, maar ik heb wel degelijk een verhaal te vertellen. En dat verhaal heb ik Repelsteeltje zingen genoemd.

Repelsteeltje zingen is een verwijzing naar mijn eerste ervaring met racisme, discriminatie of hoe je het oordeel gebaseerd op je huidskleur ook wilt noemen. En niet op je karakter of de talenten die ik had als acteur of zanger. Het was een oordeel gebaseerd op het feit dat op een overwegend witte school er geen reden was om mij iets toe te zeggen waardoor ik meer zou hebben of meer zou zijn dan een van de witte kinderen. Ik zal verderop in dit boek meer over deze ervaring vertellen.

Ik was mij nauwelijks bewust van racisme in mijn leven tot aan mijn tienerjaren. Er waren termen die mijn leven bepaalden waarvan ik het bestaan niet wist. En de meeste van die woorden waren -ismes. Ze hadden een grote invloed op mijn leven naarmate ik ouder werd. Termen als seksisme, racisme, katholicisme, alle -ismes waar ik mij nu bewust van ben, leken vroeger niet eens te bestaan.

Wat er door de loop van de jaren ook is veranderd, is hoe we onszelf zijn gaan noemen en hoe we door anderen worden gezien. Eerst werden we ‘negers’ genoemd, een woord dat werd gebruikt voor alle mensen van kleur toen ik jong was. In de gesegregeerde delen van Amerika werd de term coloured gebruikt om het verschil aan te duiden voor voorwaarden en faciliteiten: coloured bathrooms, coloured entrances, et cetera. Tussen de jaren 70 en jaren 90 van de vorige eeuw werd de term ‘zwart’ gebruikt, mede dankzij James Brown, die eiste dat we loud (en proud) moesten zijn. Aan het eind van de jaren 90 kwam de term ‘Afro-Amerikaans’ op in onze zoektocht naar onze identiteit en Afrikaanse afkomst. Dat woord won terrein dankzij de verkiezingsoverwinning van Barack Obama in 2009.

Tegenwoordig wordt de term people of colour meer gebruikt, een inclusiever woord, dat aansluit bij de wens om te verbinden en stand te houden in een wereld waarin een tweedeling wordt gemaakt op allerlei terreinen: huidskleur, religie, welvaart, geografie… Demografisch zijn er zo veel gemengde families en komen er zo veel families met diverse etnische achtergronden bij, dat het onmogelijk is om geen discussie te voeren over inclusie en diversiteit.

De laatste tijd probeer ik mijn ervaringen met racisme te gebruiken om anderen iets te leren. Ik zat laatst in de sauna van de sportschool waar ik bijna elke dag train, toen een man binnenliep en mij herkende. Hij zei: ‘Hoi Ben!’ Ik kende hem wel, hij is een witte Engelsman en hij heeft mij een paar keer zien optreden met mijn huidige band Soul Machine. Ik zong, en na afloop hebben we samen over muziek gepraat. In de sauna hadden we een discussie over actuele ontwikkelingen, de pandemie, immigratie, drugs en de politie.

Hij vertelde mij dat zijn zoon was gearresteerd in Miami voor drugsbezit. Hij zei dat zijn zoon erin geluisd was, dat de politie een verhaal had verzonnen dat niet waar was en dat hij een borg van tienduizend dollar moest betalen om zijn zoon vrij te krijgen. Hij was boos, maar ik zei: ‘Dat is vreselijk, maar wees blij dat ze je zoon niet hebben geslagen, of nog erger, beschoten.’ Hij begreep dat ik refereerde aan de wijze waarop de Amerikaanse politie met zwarte mensen pleegt om te gaan en hij zei: ‘De enige reden waarom er op zwarte mensen geschoten wordt, is omdat ze allemaal zo brutaal zijn en niet doen wat de politie zegt.’

Ik vroeg hem of hij vond dat als je iets terugzegt tegen de politie, dat er dan op je geschoten zou moeten worden? ‘Nee,’ zei hij, ‘maar als je je rijbewijs niet laat zien, zorg je voor problemen.’ ‘Dus als de politie je zoon arresteert, je betaalt een borg van tienduizend dollar en je zoon kan naar huis gaan, dat vind je oneerlijk, maar dat een zwarte jongen als hij zijn rijbewijs niet toont, naar het mortuarium gaat – dat vind jij een eerlijke behandeling?’ ‘Nou, als je niets te verbergen hebt, kan je toch gewoon je rijbewijs laten zien?’ Toen legde ik hem uit dat er in de Amerikaanse grondwet is vastgelegd dat je het recht hebt op een eerlijk proces en dat iedereen het recht heeft om een onwettig bevel te negeren. Hij zei: ‘Dat wist ik niet.’ En ik vertelde hem dat de Britse grondwet een vergelijkbare bepaling heeft, en hij zei: ‘Dat wist ik ook niet, ik ben ook nog nooit door de politie staande gehouden.’

Dus mijn nieuwe missie op mijn 77e is om mensen iets te leren over hoe het is om een zwarte man in de Verenigde Staten te zijn, en daar gaat dit boek over.

Hoofdstuk 1 HET VERHAAL VAN TWEE FAMILIES

1940-1945, Hartselle, Alabama

Nog voor mijn geboorte waren de situatie en de omstandigheden waarin ik terecht zou komen, doortrokken van klassendiscriminatie. Het was ondenkbaar dat mijn moeder een relatie met mijn vader zou krijgen. Zij heette Mary Francis Battle en was een hoogopgeleide vrouw. Mijn vader, James Edwin Sims, had wel highschool gedaan, maar was eigenlijk een boerenzoon. Mijn moeders vader was predikant en mijn vaders vader was boer in het noorden van Alabama. Hij had zijn hele leven op de boerderij gewoond, en iedereen – mijn vader en zijn broer en zussen – werkte mee op de boerderij.

Opa Battle leefde op stand, opa Sims leefde met de fles. Zelfs mijn oma van mijn moederszijde was een debutante en hoogopgeleid, ze zong en speelde piano in de kerk, en mijn oma aan mijn vaders kant was niet zo geschoold. Zij was verantwoordelijk voor de opvoeding van vijf dochters en twee zoons, en ze was de vriendelijkste vrouw die je je maar kunt voorstellen. Ze had een moederlijke wijsheid en was oprecht warm.

Mijn ouders kwamen dus uit twee heel verschillende sociale milieus. En ze hadden allebei een andere huidskleur. Mijn vader had een heel donkere huid, waar je zijn Afrikaanse afkomst in kon terugzien. Zijn vader, opa Tobe, was een vrij man, die zijn eigen huis bezat. Hij verdiende zijn geld met het distilleren van illegale alcohol, moonshine. Hij brouwde het goedje thuis, maar dronk veel van zijn eigen waar op en het merendeel van het geld dat hij ermee verdiende. Opa Tobe reed op een wit paard en droeg twee pistolen, die hij richtte op iedereen op wie hij boos was.

Zowel opa Tobe als zijn moeder, overgrootmoeder mama Ella, hadden een donkerdere tint dan de rest van de familie. De ouders van mijn grootvader waren slaven en kregen twaalf kinderen. Van die twaalf hadden er vier een veel lichtere huidskleur, rood haar en blauwgroene ogen: mijn oudoom Porter en mijn oudtantes Amanda (Mandy), Katie en Holsie. Zij werden alle vier honderd jaar en zelfs ouder, en ik heb ze alle vier mogen ontmoeten. Het is aannemelijk dat hun biologische vader de plantage-eigenaar was, Mr. Seay, die waarschijnlijk van Ierse komaf was.

In de familie gold: hoe lichter je huid, hoe nauwer je verwantschap met een witte voorouder. Maar de rest van de familie was erg donker, en mijn vader had een blauwige gloed in zijn donkere huidskleur. Een nogal brede neus en prachtige witte tanden. Mijn moeder had een heel andere etnische achtergrond. Ze was wel zwart, maar ze had een heel lichte huidskleur, en je kon de witte genen in haar huid terugzien. Haar vader had ook een lichte huid en zwart, golvend haar, en mijn oma was ook heel licht en je kon de Indiaanse afkomst in hen beiden terugzien. Ik heb genealogisch onderzoek laten doen, want ze hadden sterke Indiaanse trekken, en mijn oma had een Indiaanse naam, maar uit het onderzoek bleek dat ik maar 1% Indiaans bloed in mijn DNA heb.

Mijn ouders hadden een relatie waarin mijn moeder de hoger opgeleide was en ze had een lichtere huidskleur dan mijn vader. Ondanks die verschillen was mijn vader in staat om mijn moeder te charmeren. Mijn moeder was enig kind, terwijl mijn vader een broer en vijf zussen had. Maar Daddy was een vlotte jongen.

Hij speelde American football, basketbal, deed aan atletiek, hij zong in het koor, hij had een prachtige glimlach, grote witte tanden en hij was een ladies’ man. Mijn moeder had doorgestudeerd, maar ze stond wat naïef in het leven en was altijd wat verwend als enig kind. Ze kreeg alles van iedereen gedaan, ze noemden haar Baby, en mijn vader had dat goed in de gaten. Toen hij op highschool zong, was mijn moeder zijn docent Engels.

Ze was ouder dan hij, was afgestudeerd aan het Talladega College in Alabama en ging lesgeven op de Decatur High School, waar mijn vader een van de leerlingen was. Ze gaf les in vrouwelijke hygiëne, was coach van het damesbasketbalteam en was docent Engels. Hij was blijkbaar in staat om haar aandacht te trekken, zelfs zodanig dat ze verliefd op hem werd. Ik weet niet precies wat er is gebeurd, maar ze werd verliefd.

Toen mijn moeder nog jong was, speelde ze ook basketbal, ze was de spelverdeler voor het Talladega-team. Ze was atletisch en dun, maar nadat ze met mijn vader was getrouwd, werd ze zwaarder. Mijn moeder was een getalenteerde contra-alt met een prachtige stem. Het gerucht ging – en ik weet niet of het waar is, maar ik geloof het graag, want ik houd van mijn moeder – het gerucht ging dat de beroemde gospelzangeres Mahalia Jackson een rivaal was van mijn moeder. Ze waren toen nog jong en beiden getalenteerd, en sommigen beschouwden mijn moeder als de betere zangeres van hen tweeën. Ze was contra-alt, maar haar stem had een bereik van bas tot sopraan. Haar faam duurde tot ongeveer vijf minuten nadat mijn vader haar het hof had gemaakt.

Mijn vader was een sterke man en had brede schouders van het werk op de boerderij. Er is een verhaal over hem van toen hij zestien of zeventien was: hij probeerde het paard dat de ploeg moest trekken in beweging te krijgen, maar het bleef stilstaan. Mijn vader werd boos, ging voor het paard staan en sloeg het zo hard op het voorhoofd, dat het paard door de knieën zakte. Het paard bleef een tijdje beduusd zitten, kwam weer omhoog en ging de akker ploegen. Sindsdien noemen ze mijn vader Warhorse: James Edwin Warhorse. Het was een bijnaam die hij zijn hele leven zou houden, en er zijn mensen uit Cleveland die hem alleen bij die naam kennen. Mijn ouders trouwden en kort daarop, in 1943, werd mijn zus Edwina geboren. Ik volgde elf maanden later.

Mijn vader ging het leger in in 1943, en toen ik werd geboren was hij op of nabij Saipan gestationeerd, een eiland in de Stille Oceaan. Voordat hij vertrok, zocht mijn moeder hem op in Texas terwijl hij zich klaarmaakte voor vertrek. Ze heeft stiekem de benen genomen en niemand wist waar ze heen ging. Ze had Edwina bij oma Sims achtergelaten, die toch al voor haar zorgde als mijn moeder lesgaf. Heimelijk reisde ze van Alabama naar Texas om bij mijn vader te zijn voordat hij de oorlog in ging, en toen ben ik verwekt.

Ik was ongeveer een jaar oud toen mijn vader terugkwam uit de oorlog. Zijn eigen opvoeding was anders geweest dan die van mijn moeder, maar we woonden toentertijd in het huis van mijn opa Battle. Hij was een predikant en de man des huizes. Waarschijnlijk omdat hij mijn geboorte en mijn eerste jaar had gemist, had mijn vader de behoefte om afstand te bewaren tussen hemzelf en mij.

Ik hoorde achteraf dat ik als kind naast mijn vader aan het avondeten zat en ik mij vooroverboog om iets van zijn bord af te pakken. Hij gaf me een tik op de hand, en toen zei mijn opa tegen mijn vader: ‘Sla die jongen nooit meer.’ Mijn vader respecteerde zijn schoonvader omdat hij uit een andere klasse kwam, een predikant was, ouder was en omdat hij in zijn huis woonde. Wel antwoordde mijn vader: ‘Oké, dan is hij van jou’. Vanaf dat moment tot mijn achttiende heeft mijn vader nauwelijks meer naar mij omgekeken. Dat moment is hij nooit vergeten en hij heeft het nooit losgelaten. Toen mijn moeder overleed in 1976, had mijn vader op de overlijdensbrief laten zetten: ‘Mary Francis Sims-Battle, ze laat haar zoon Benjamin Battle en Edwina, Joan en Robert Sims achter.’

Ik werd geboren in een klein dorp, Hartselle, in de staat Alabama, dicht bij de grotere steden Decatur en Huntsville. Als je die steden niet kent, zou je kunnen zeggen dat Hartselle in de driehoek Nashville, Memphis en Atlanta ligt, in het zuidwesten van de Verenigde Staten. De omgeving bestond voornamelijk uit boerenland en er was in het dorp één winkel, de winkel van Mr. Red. Alles bevond zich binnen loopafstand, en als je maar ver genoeg bleef lopen kwam je in Decatur of Huntsville. Er stonden veel boerderijen en de meeste mensen (het dorp telde hooguit vijfentwintighonderd inwoners) werkten op de boerderij. Ik herinner mij weinig van mijn jeugd in het dorp, maar toen ik ouder was ben ik wel teruggegaan. Het dorp is uitgegroeid tot een stad van ongeveer vijftienduizend inwoners. Ik heb ook mijn geboortehuis opgezocht; het leek vroeger een heel groot huis, maar toen ik het terugzag bleek het een klein huis te zijn.

Ons gezin bestond uit vier kinderen, twee zoons en twee dochters. Mijn zus Edwina was de slimste en de dominantste van de kinderen. Ze zei ons altijd wat we moesten doen, en omdat ze ouder was, kon ze altijd de baas over mij spelen. Maar we hadden een bijzondere relatie. We moesten onze moeder delen met elkaar en ik denk dat ze daar wel eens boos om werd. Tussen ons tweeën speelde er nog iets extra’s: toen zij elf maanden oud was stopte mijn moeder met borstvoeding aan haar omdat ik werd geboren. Maar we konden het heel goed met elkaar vinden. We werden met de Bijbel opgevoed en we moesten voor elkaar zorgen. Toen ik ongeveer zeven jaar oud was, kreeg ik de taak om voor Edwina op te komen en ervoor te zorgen dat niemand haar lastigviel.

Mijn zus en haar vriendinnen konden mij wel lastigvallen en pesten, vooral als ik in de weg liep, zoals kleine broertjes af en toe wel eens doen. Edwina was een geweldige zangeres, heel intelligent en ze kon zowat alles. Ze was altijd de beste van de klas, maar op school leerden we vooral om een goede verkoper of secretaresse te worden. Zij kon ongeveer honderdtwintig woorden per minuut typen toen ze veertien of vijftien was, een hele prestatie, en ze is later auteur geworden, schrijver van prachtige gedichten en geweldige boeken. Op school zat ze een jaar hoger dan ik, dus kreeg ik dezelfde leraren als zij een jaar daarvoor had gehad, en die verwachtten dat haar broertje net zo slim en intelligent zou zijn als zij. Daardoor moest ik hard werken, want ik wilde het minstens even goed doen als mijn oudere zus. Ik wás niet zo goed, toch presteerde ik niet slecht. Al was het heel erg ongebruikelijk om naar het examenfeest te gaan met je jongere broertje, ze ging met me mee. Ook omdat haar vriendje en latere echtgenoot Glennys hetzelfde jaar als ik examen had gedaan, maar op het feest bleef ze echt bij me, zo hecht waren we.

Mijn zus Joan Carol is vier jaar jonger dan ik. Als baby al was Joan heel avontuurlijk ingesteld, altijd in beweging, altijd onderweg. Ze kroop al heel snel, kon met acht maanden lopen en zette gelijk de boel op stelten. Op een dag waren we buiten aan het spelen toen we Joan hoorde schreeuwen. We renden naar binnen en zagen dat ze een lucifer in haar oor had gestoken. Op dat moment wisten we het niet, maar ze bleek haar trommelvliezen te hebben doorgeprikt en vanaf die dag was ze doof. Zo jong als ze was. Joan was veruit de zelfstandigste van ons vieren. Ze was jonger, ze was doof, maar toen ze nog maar zes of zeven jaar oud was, ging ze alleen met de schoolbus naar de dovenschool. Omdat we in een kleine buurt woonden wist iedereen wel dat Joan doof was, maar het was toch knap van dat kleine meisje om alleen naar school te reizen en weer terug alsof haar handicap haar leven totaal niet beïnvloedde. Toen Joan een tiener was, had ik ons ouderlijk huis al verlaten, dus ik heb haar niet echt goed leren kennen. Vanaf ongeveer haar veertiende heb ik de ontwikkeling van mijn zusje gemist en ik heb haar maar een paar keer gezien wanneer ik op verlof was van het leger.

Mijn broer Robert Lewis is acht jaar jonger dan ik. Ik kan me herinneren dat ik op verlof was en dat ik een sprintwedstrijd van hem zag. Hij liep als laatste in het estafetteteam, en je laat meestal je een-na-snelste loper als laatste lopen in de estafette, voor het geval je een achterstand moet inhalen. Ik was heel trots op hem, maar ik kende hem nauwelijks. Af en toe zag ik hem op straat als ik daar uithing. Ik leer hem nu als volwassene pas een beetje kennen. Wat ik wel weet over hem is dat hij kan zingen – wat een stem. Hij heeft een operastudie afgerond en zou een nieuwe Paul Robeson kunnen worden, als basbariton en politiek activist. Maar Robert leeft in zijn eigen wereld, hij bepaalt zelf zijn koers en hij laat geen afleiding toe. Als er zaken zijn die hem dwarszitten, sluit hij zich daarvan af en sluit hij zichzelf af. Een belangrijke eigenschap voor iemand die een onafhankelijk leven wil leiden, en zo iemand is mijn broer. Tijdens mijn jeugd zongen mijn vader, mijn moeder, mijn zussen en ik. Zelfs Joan zong ondanks haar doofheid. En Robert kon zingen, je kon al horen dat hij de beste zanger van het gezin zou worden toen hij pas vier of vijf jaar oud was.

Klik hier om de preview als pdf te downloaden

Bestel het boek bij Amazon

Terug naar het boek | Meer informatie over de auteur
 

HOME | BOEKEN | AUTEURS | OVER SANTASADO | AGENCY | CONTACT

(c) 2026 Santasado.com